Een kwaliteitsvolle speelruimte ontwerpen gaat verder dan de inrichting en uitrusting van het terrein, het vereist een planmatige aanpak. Om een speelterrein goed te laten functioneren in het bredere kindweefsel, moet je uitzoomen en werk maken van een doordachte inplanting.
Drie principes staan centraal om tot een kwaliteitsvolle inplanting van speelruimte te komen: goede spreiding, doordachte inplanting en rekening houden met schaalniveaus.
Goede spreiding
Een goede spreiding houdt in dat in elke woonbuurt van het kindweefsel een minstens één kwaliteitsvol formeel speelterrein aanwezig moet zijn. Het gaat hierbij niet zozeer om een vaste afstand (zoals bijvoorbeeld elke 400 meter een speelterrein). Belangrijker is om rekening te houden met de grenzen van de woonbuurt. Het kan namelijk zijn dat twee speelruimten vlak bij elkaar gesitueerd zijn, maar van elkaar gescheiden zijn door een barrière (bv. drukke gewestweg). In dat geval liggen de twee speelruimten elk in een andere woonbuurt, omdat kinderen de barrière niet (zelfstandig) kunnen oversteken.
Voor een kwalitatieve buurtspeelruimte gaan we uit van een minimum van 800 m² aaneengesloten 'bespeelbare publieke (groen)ruimte' (zoals vooropgesteld in de 8-80-800 vuistregels). Deze oppervlakte is nodig om diverse speelkansen te bieden voor verschillende leeftijden en doelgroepen (meer informatie vind je terug op de pagina Kwalitatieve inrichting van speelruimte). Je kan de streefoppervlakte bereiken met één terrein, maar ook via een combinatie van meerdere, kleinere speelterreinen binnen dezelfde woonbuurt. Die kleinere terreintjes kunnen dan qua inrichting bijvoorbeeld complementair zijn aan elkaar, waardoor er binnen eenzelfde woonbuurt toch speelkansen zijn voor alle kinderen.
Het geheel aan speelruimten moet dus steeds op niveau van de woonbuurt bekeken en geëvalueerd worden.
Doordachte inplanting
Kwalitatieve speelkansen zijn op een doordachte manier in het kindweefsel ingeplant. De ligging en inplanting t.a.v. de aanpalende woningen en wegen, maar ook t.a.v. de groenblauwe structuur, de recreatieve structuur en andere voorzieningen zijn daarbij cruciaal.
Volgende aandachspunten zijn van belang:
Centraal in de (woon)buurt
Kwalitatieve speelruimte ligt centraal in de (woon)buurt. 'Centraal' betekent zowel fysiek centraal, in het midden van de woonbuurt, maar ook mentaal centraal, bijvoorbeeld langs een belangrijke gebruiksroute of dicht bij voorzieningen. Het belangrijkste is dat het terrein op een plek komt te liggen waardoor het voor de hele buurt toegankelijk is. Een sterke visuele relatie met de omgeving en een duidelijke, veilige bereikbaarheid via trage wegen is hierbij van belang.
Aan voorkanten
Daarnaast is de ruimtelijke relatie met woningen, publieke voorzieningen en aangrenzende wegenis belangrijk. Speelterreinen grenzen bij voorkeur aan de voorkanten van woningen om privacyconflicten te voorkomen en de sociale controle te verhogen. Een speelterrein dat grenst aan een achter- of zijtuin komt namelijk dicht bij de private sfeer van buurtbewoners.
Bufferen waar nodig
Daar waar er toch zij- en achterkanten of tuinzones aan de speelruimte grenzen, voorzie je buffering. ‘Buffering’ betekent in eerste instantie afstand houden (een klimtoren of goaltjes bv. niet te dicht bij
de tuinen van de buren).
Maar buffering kan ook invulling krijgen door een groenscherm, een dicht groenmassief, een waterbekken of een (semipublieke) buurttuin. Ook t.o.v. van drukke wegen dien je voldoende buffering te voorzien. Dit kan bijvoorbeeld door de speelruimte af te schermen met een haag. In dat geval zijn er wel voldoende ingangen nodig ter hoogte van cruciale doorgangen of oversteken.
Rekening houden met schaalniveaus
Het schaalniveau van een speelruimte bepaalt vanuit welke omgeving het gebruikers aantrekt en hoe intensief het gebruikt kan worden. Het is afhankelijk van twee factoren: de ligging en de grootte van het terrein. Een terrein dat centraal in de buurt ligt en een grotere oppervlakte heeft (bijvoorbeeld meer dan 800 m²), heeft de potentie om te functioneren op een hoger schaalniveau, zoals dat van de wijk of zelfs de volledige gemeente. Terreinen met een kleinere oppervlakte functioneren beter op straat- of buurtniveau. Het bepalen van het gewenste schaalniveau is essentieel om overlast te voorkomen en de draagkracht van het terrein te waarborgen.
Terrein van gemeentelijk niveau
Publieke (speel)ruimte met een zeer sterke uitstraling, over wijken heen. Het terrein trekt gebruikers aan uit de gehele gemeente of zelfs omringende (deel)gemeentes.
Terrein van wijkniveau
Publieke (speel)ruimte met grote oppervlakte (> 1200 m²) en een ruimere uitstraling, over buurten heen. Het terrein trekt gebruikers aan uit een gehele ‘wijk’ of geheel van aansluitende woonbuurten.
Terrein van buurtniveau
Publieke (speel)ruimte die een uitstraling heeft en gebruikers aantrekt uit de omringende buurt. Een ‘buurt’ wordt gedefinieerd als samenhangend geheel van woningen, bepaald en begrensd door barrières die kinderen niet autonoom kunnen oversteken.
Terrein van straatniveau
Publieke (speel)ruimte die enkel gebruikers aantrekt uit het nabijgelegen bouwblok of dichtst aanliggende straten. De oppervlakte (< 800 m²) en ruimtelijke mogelijkheden zijn te beperkt om tot buurtniveau uit te bouwen. De oppervlakte is evenwel nog voldoende ruim om een formeel speeltoestel te voorzien.
Speelse stapsteen
Klein zit- en belevingsplekje, bij voorkeur langs een belangrijke kindroute gelegen, zonder formele speeltoestellen maar met kleine speelaanleidingen en zitelementen.