Hoe is het gesteld met het buitenspelen van kinderen in hun woonomgeving? Spelen kinderen wel nog buiten op straat en in hun eigen buurt? Welke kinderen zijn dat dan, op wat voor plekken zijn ze te vinden, en wat spelen ze? In een reeks buitenspeelonderzoeken brengt Kind & Samenleving de evoluties van het buitenspelen in kaart. Het recentste onderzoek gebeurde in 2024.
Het bijzondere aan dit onderzoek?
- Het onderzoek gebeurt via observaties, en wel in de volledige buurt waar kinderen wonen. De observaties tonen het feitelijke speelgedrag van kinderen (3-14 jaar), in de gehele publieke ruimte van de wijken: straten, pleinen, parken, speelterreinen, sportveldjes…
- Wij deden gelijkaardig onderzoek in 1983, in 2008, in 2019 en in 2024. Zo krijgen we een beeld van de evolutie van het buitenspelen doorheen de tijd.
- Het onderzoek van 2024 kent een stevige opschaling: van 7 wijken in de vorige buitenspeelonderzoeken naar 24 woonbuurten nu, gespreid over Vlaanderen en Brussel. Het gaat over heel diverse types wijken, naar graad van verstedelijking en naar woontypologie.
Acht kernbevindingen uit het Buitenspeelonderzoek 24
De cijfers uit de recentste buitenspeelonderzoeken zijn helaas niet bemoedigend. Het gaat niet goed met het buitenspelen in Vlaanderen en Brussel. De eerder vastgestelde achteruitgang zet zich ook in 2024 zonder meer voort.
Deze acht kernbevindingen komen naar voren:
- Het gaat slecht met het buitenspelen in de woonomgeving. We zien steeds minder kinderen buiten spelen.
- Er spelen minder meisjes buiten in de buurt dan jongens, en veel minder naarmate ze ouder worden.
- Vooral de kinderen tussen 6 en 11 jaar spelen buiten in de woonomgeving. Kleuters doen dat veel minder.
- De meeste kinderen die buiten gaan spelen, doen dat onbegeleid.
- Het spel verschuift steeds meer naar zones die bedoeld zijn voor recreatie.
- Verschillende types ruimte trekken verschillende categorieën kinderen aan. Sportzones zijn echte jongensplekken.
- Regelspel en sociaal spel zijn de belangrijkste speltypes. Oudere kinderen en jongens bewegen vaker intensief in hun spel.
- De wijk doet ertoe: hoeveel, door wie, waar en wat er gespeeld wordt, varieert sterk van wijk tot wijk.
Je leest alles over het Buitenspeelonderzoek 24 in het volledige onderzoeksrapport. Er is ook een samenvatting met de belangrijkste resultaten.
Buitenspeelonderzoek 24
Lees het uitgebreide onderzoeksrapport hier
Een zorgwekkende trend
De buitenspeelonderzoeken tonen doorheen de tijd een zeer duidelijke daling in het aantal kinderen dat in de woonomgeving buiten speelt. Dat baart ons grote zorgen. In sommige wijken gaat het echt niet goed met het buitenspelen. Een neerwaartse trend dreigt een vicieuze cirkel te worden: een buurt waar weinig kinderen buiten spelen, is voor een kind niet aantrekkelijk om ook buiten te spelen, zodat er steeds minder buiten gespeeld wordt.
- Aandacht voor het spelen in de woonomgeving is cruciaal, want het informele buitenspelen van kinderen in de publieke ruimte heeft een heel eigen waarde voor kinderen. Maar juist dat ‘spelen op straat’ heeft in onze samenleving aan vanzelfsprekendheid ingeboet.
- Uit ons onderzoek Spelen met struikelblokken blijkt dat kinderen heel wat drempels ervaren om te gaan spelen in hun buurt. Die gaan over gebrek aan goede of voldoende grote en gevarieerde speelruimte, over het zich moeilijk veilig kunnen verplaatsen, en over bezorgheden over sociale veiligheid en sociale samenhang. Ook ouders delen deze zorgen over de buurt.
Onderzoek voor het beleid
Het buitenspeelonderzoek levert niet alleen algemene cijfers over hoeveel kinderen buiten spelen en over de evolutie daarvan doorheen de tijd. Het geeft ook gedetailleerde gegevens over de relatie van dat buitenspelen met soorten woonomgevingen, soorten speelruimte, gender, leeftijd, begeleiding… Daarmee kunnen het lokale en het Vlaamse beleid aan de slag om buitenspelen gerichter te stimuleren en een buitenspeelbeleid te ontwikkelen en om 365 dagen buitenspelen voor kinderen mogelijk te maken. Het onderzoek bevat dan ook een hele reeks aanbevelingen voor het Vlaamse en het lokale beleid en voor verder onderzoek. En zelf gaan we de komende jaren gericht aan de slag met de uitdagingen die uit het buitenspeelonderzoek naar voor komen.
Meer over de historische reeks buitenspeelonderzoeken
Het buitenspeelonderzoek 24 is een onderdeel van een reeks onderzoeken met een gelijkaardige opzet. Deze reeks observatie-onderzoeken met focus op spelen in de volledige woonomgeving van kinderen is ook in internationaal opzicht uniek.
1983: Spelen en spelen is twee
In 1983 deed de toenmalige studiedienst van NDO, een voorloper van Kind & Samenleving, het onderzoek Spelen en spelen is twee, een studie van het speelgedrag van kinderen. Dit gebeurde in 11 erg uiteenlopende wijken (stedelijk, suburbaan, landelijk, woonerf, stadsherwaarderingsgebied, sociale woonwijk) in de ruime regio Antwerpen. Alle wijken werden opgedeeld in zones met een homogene inrichting. In elke wijk vonden tijdens de zomervakantie 10 observatierondes plaats in de volledige wijk. Alle kinderen die in de publieke ruimte aan het spelen waren, werden geteld; kinderen die onderweg waren en geen spelgedrag vertoonden, werden buiten beschouwing gelaten. Bij elke observatie werden gender en leeftijd van de kinderen genoteerd, net als hun spelgedrag, gecategoriseerd in zeven spelvormen. Dit alles bleef de basis voor de latere onderzoeken.
2008: Buiten spelen!
Op vraag van de Vlaamse Overheid herhaalde herhaalde Kind & Samenleving het onderzoek van 25 jaar eerder. Buiten Spelen! observeerde de kinderen en hun spelgedrag een stuk nauwkeuriger en legde nadrukkelijk het verband tussen spelen en de ruimtelijke kenmerken van de wijken. De wijken van 1983 waren na 25 jaar tijd in ruimtelijk en sociaal opzicht vaak sterk veranderd; daarom gebeurde het onderzoek in 2008 grotendeels in andere maar wel gelijkaardige wijken. Door het aantal spelende kinderen te vergelijken met het aantal jonge inwoners in de wijk, konden we een ‘speelindex’ berekenen die verschillen tussen wijken én verschillen doorheen de tijd accurater in beeld brengt. Het observatieonderzoek werd ook gekoppeld aan een survey-onderzoek (KULeuven).
Het onderzoek toonde dat het buitenspelen in deze wijken gehalveerd was ten opzichte van 1983. De creatieve spelvormen gingen erop achteruit. De genderverhouding was in 2008 wel evenwichtiger: 55% jongens, 45% meisjes; in de reeks onderzoeken zou dit evenwel een eenmalige vaststelling blijven: meestal telden we slechts ruim een derde meisjes.
2019: Het grote buitenspeelonderzoek
In 2019 volgde Het grote buitenspeelonderzoek, uitgevoerd met een projectsubsidie. Het onderzoek gebeurde in dezelfde 7 wijken als in 2008, zodat daarvoor de vergelijking doorheen de tijd zeer goed te maken is. Wel werden via een aangepast observatieschema meer uitgesplitste gegevens verkregen.
Zo kwam in beeld hoezeer het buitenspelen bij meisjes afneemt vanaf de leeftijd van 9 jaar. Ook de ruimtelijke analyse werd uitgebreider, onder meer dankzij het gebruik van GIS voor het kaartmateriaal. Het onderzoek bevestigde de dalende trend: op 11 jaar tijd speelden 37% minder kinderen buiten, en in de stedelijke wijken halveerde het buitenspelen zelfs.
Je kan het volledige onderzoeksrapport lezen, of bekijk dit filmpje met een korte samenvatting!
2024: Buitenspeelonderzoek 24
In het buitenspeelonderzoek van 2024 is opnieuw gebaseerd op de werkwijze van het buitenspeelonderzoek uit 2019, opnieuw met enkele updates (onder meer noteren van bewegingsintensiteit en input van de observatiegegevens in een digitale tool). Het onderzoek kreeg vooral een zeer grote opschaling. De 7 historische wijken uit 2008 en 2019 werden opnieuw opgenomen in het onderzoek. Maar nu werden 17 bijkomende wijken opgenomen, gespreid over Vlaanderen en Brussel en van zeer uiteenlopende types. Zo kregen we gegevens van 24 wijken. De gegevens werden nu digitaal ingegeven tijdens de observaties.
Het Buitenspeelonderzoek gebeurde in opdracht van de Vlaamse Overheid, departement Cultuur, Jeugd en Media. Het maakte deel uit van het ActieplanMee(r) naar buiten?! van toenmalig Vlaams Minister van Jeugd Benjamin Dalle. De kwantitatieve analyse werd gedaan door onderzoekscentrum Pedagogie in Praktijk van de Karel de Grote Hogeschool. De observaties werden deels uitgevoerd door jobstudenten. Enkelen van hen vertellen over 'hun' buitenspeelonderzoek in ons Magazine.
Ander onderzoek naar buitenspelen
Ook ander onderzoek toont de precaire status van het buitenspelen. De Nederlandse organisatie Jantje Beton, die zich inzet voor meer en uitdagendere speelruimte en meer speelkansen, liet in 2013, 2018, 2022 en 2024 onderzoek uitvoeren over buitenspelen via vragenlijsten bij kinderen en ouders. Het rapport van 2024 toont een dramatische daling in het buitenspelen ten opzichte van 2022:
- Het aantal kinderen dat nooit of slechts 1 keer per week buiten speelt zonder volwassene in de buurt, is sterk gestegen tussen 2022 (20%) en 2024 (32%).
- Het aantal kinderen dat elke dag buiten speelt, is sterk gedaald (25% naar 13%).
- Kinderen spelen gemiddeld 2,5 uur minder buiten dan in 2022, van 9,5 uur naar 7 uur per week.1
De helft van de kinderen wil meer buitenspelen dan zij nu doen. Kinderen noemen het slechte weer, een voorkeur voor digitale vrije tijd, en een gebrek aan andere kinderen om mee te spelen als belangrijkste belemmeringen.
Uit ons buitenspeelonderzoek én uit ander onderzoek over buitenspelen blijkt ook dat jongens vaker buiten spelen dan meisjes: op basis van ouderbevragingen over buitenspelen in het algemeen (Slot-Heijs e.a. 2021), en op basis van observaties op speelterreinen (Karsten 2003) en in de volledige woonomgeving (Helleman e.a. 2023).
Het onderzoek Speelvriendelijke Steden van Gerben Helleman en collega’s sluit goed aan op het buitenspeelonderzoek. In 5 stedelijke Nederlandse woonbuurten, van grotere schaal dan de wijken uit ons onderzoek, onderzochten zij via observaties het buitenspelen van kinderen gedurende verschillende observatierondes. De observaties gebeurden na schooltijd en richtten zich op het spelen in niet-georganiseerd verband. Ook dit onderzoek toont dat vooral de iets oudere meisjes minder buiten spelen. In de meeste wijken speelden bij de 9- tot 12-jarigen veel minder meisjes buiten dan jongens (een aandeel tussen de 20% en de 40%), terwijl de verhouding, net als bij ons buitenspeelonderzoek, bij de jongere kinderen evenwichtiger was.