15 inspraaktechnieken

Op deze pagina vindt u 15 verschillende inspraakttechnieken om kinderen te betrekken bij publiekeruimteprojecten. De meeste technieken zijn bruikbaar voor diverse leeftijden. 

Bij elke techniek staat een korte uitleg. In de pdf vindt u extra uitleg een eenvoudig stappenplan om aan de slag te gaan met de techniek. 

1. Creatief met powerpoint

De powerpoint vormt een leidraad en basisstructuur om de plekken en thema's ter sprake te brengen. Elk gespreksthema begint met een soort quizvraag, waarna een gesprek volgt. 

Deze technieken zijn vooral geschikt om een reeks van bestaande publieke ruimtes (of een masterplan voor een groter gebied) te evalueren samen met kinderen. 

2. Kinderen als fotograaf

Kinderen gaan in kleine groepjes aan de slag met een fototoestel. Ze krijgen de opdracht om een beperkt aantal foto's te nemen van bijvoorbeeld de 'beste' of de 'slechtste' plekken. 

Deze techniek is het meest geschikt voor het detecteren van potenties en knelpunten in een groter projectgebied (bijv. groendomein, wijk, sportcentrum, ...) en wordt het best heel vroeg in het proces ingezet. 

3. Reuzenkaart

Kinderen zitten rond een grote kaart, luchtfoto of plan van hun wijk. Ze duiden plekken en routes aan waar ze regelmatig komen en ze vertellen over de activiteiten die ze er doen. 

Op die manier evalueren ze de bestaande ruimte en geven ze indicaties voor het programma van eisen. Deze techniek is dus bruikbaar in de vroege fases van een ruimtelijk project. Een belangrijke voorwaarde is dat de kinderen de plekken goed kennen, zodat ze de kaart of luchtfoto goed begrijpen. 

Deze techniek kan ook gebruikt worden om een voorontwerp te bespreken, later in het proces. De reuzenkaart is dan niet een plan van de bestaande toestand, maar van een gewenste toestand. 

4. Kegels plaatsen voor zonering

De kinderen krijgen verschillende kegels waarop figuren, woorden of iconen zijn aangebracht, die verwijzen naar activiteiten of ruimtelijke oplossingen. De kegels worden gebruikt om tot een zonering te komen en tot een programma per zone. 

5. Plan uitzetten op het terrein

Plannen worden concreter wanneer ze op het terrein worden aangeduid en ter plaatse worden gevisualiseerd met kegels, wit-rode linten, houten planken, paaltjes... Op die manier kunnen dimensies, afstanden, volumes, hoogtes, breedtes en lengtes het best begrepen en 'aangevoeld' worden. 

6. Collages (met referentiebeelden en iconen)

Kinderen maken een conceptschets  en illustreren hun programma van eisen met iconen en referentiebeelden. Dit kan op een kaart gedaan worden of foto's van de bestaande toestand. 

Een collage maken kan als individuele opdracht worden opgevat, maar het is interessanter om er een groepsopdracht van te maken om op die manier gesprekken en discussie op gang te brengen. 

7. Buitenmaquettes

Kinderen maken maquettes ter plaatse. Ze doen dit met natuurlijke materialen die op de site zelf worden verzameld, aangevuld met materiaal van de begeleiders (stokjes, touwtjes, keien...). 

Deze techniek is een manier om na te denken over een ruimte, om noden en wensen van kinderen te detecteren en om ontwerpideeën te verzamelen. 

De keuze voor natuurlijke materialen weerspiegelt de intentie om ook in het ontwerp met natuurlijke materialen, organische vormen en 'speelnatuur' te werken. 

8. Binnenmaquettes

Kinderen maken maquettes met materialen die door de begeleiders worden voorzien. 

Anders dan bij 'buitenmaquettes met natuurlijke materialen' vindt een sessie plaats in een binnensetting. In zo'n context kan de nadruk meer op afwerking liggen. Een mooi en goed doordacht eindproduct is hier meer haalbaar dan buiten. 

9. Geleide wandeling

De ontwerpers, projectleider of beleidsverantwoordelijken wandelen door het projectgebied en leggen hun ontwerpideeën of plannen ter plaatse uit, aan de hand van kaartmateriaal,  perspectieftekeningen, sfeerschetsen etc. 

Deze techniek kan toegepast worden in de fases van toetsing van een voorontwerp of ontwerp. Bij voorkeur gebeurt dit in de vroege ontwerpfase, wanneer er nog geen afgewerkt plan is, maar wel ontwerpconcepten, eerste schetsen of ontwerpideeën. 

10. Gooispel, hengelen, ren je rot (en andere volksspelen)

In een feestelijke context waar veel andere dingen te beleven vallen (bijv. wijkfeest, jeugdbeweging, schoolfeest, buitenspeeldag...) is het een uitdaging om kinderen warm te maken voor een inspraaksessie. In dat geval doen technieken geïnspireerd op de traditie van volksspelen het nog steeds goed. 

Aan deze doe-activiteit kunnen korte inhoudelijke gesprekjes worden gekoppeld zoals het evalueren van plekken en prioriteiten toekennen aan ontwerpideeën. 

11. Invulbladen

Invulbaden zijn een wat schoolse manier om informatie van kinderen te verzamelen. Toch hebben ze ook hun waarde, zeker wanneer kinderen ze in kleine groepjes invullen. Invulbladen kunnen dus het beste gebruik worden als middel voor discussie, en niet als doel op zich. 

12. Gezelschapsspel

Bij binnensessies kan men de discussies structureren door te werken met een gezelschapsspel. Een spel biedt een basisstructuur om kinderen om de beurt aan het woord te laten komen. Dit kan zowel voor een evaluatie van een bestaande ruimte als voor de bespreking van een niet al te complex (voor)ontwerp. 

13. Stemrondes

'Stemrondes' zijn een techniek om kinderen prioriteiten te laten toekennen. Deze techniek kan gebruikt worden bij de prioriteitsbepaling van ruimtelijke noden en wensen of het aftoetsen van voorlopige ontwerpideeën. 

14. Winkelcatalogus

Bij deze techniek kunnen kinderen voorzieningen of ruimtelijke ingrepen kiezen uit een 'catalogus'. Door er verschillende prijzen op te plakken, wordt kiezen minder vrijblijvend. Het principe 'kiezen is verliezen' dwingt kinderen tot nadenken en zorgvuldige afweging. De techniek kan daarom verhelderende discussies uitlokken. 

De 'winkelcatalogus' is een techniek om kinderen prioriteiten te laten toekennen bij opmaak van een programma van eisen of bij toetsing van elementen uit een (voor)ontwerp.

15. Terreinobservaties en veldinterviews

Bij deze techniek ga je als een onderzoeker te werk. Men kan bijvoorbeeld enige tijd op het terrein verblijven om gebruikers (kinderen en volwassenen) te observeren en eventueel informele gesprekjes aan te knopen met toevallige bezoekers. 

Terreinobservaties en veldinterviews kunnen op elk moment in het beleidsproces plaatsvinden.